|
| Het geheim van
IJmuiden (12) |
| Een droom wordt
werkelijkheid |
|
|
Bron: IJmuidercourant |
Tekening: Fiel van der
Veen
_ |
|
In het Noordhollands Koffiehuis te
Amsterdam zit een oude bekende. Als er één een IJmuidenaar is, dan is
hij het wel, ook al heeft hij er nimmer gewoond. Zojuist heeft hij z'n
tweede kop koffie op en staart vol verbazing uit het raam dat uitkijkt
over het water. Wat een verkeer, wat een drukte. In welke tijd is hij
terechtgekomen, prof. Mr. Simon Vissering?
|
Z'n hoge hoed heeft hij op de
stoel naast hem gelegd. Het is november in het jaar 2001.
De dingen kunnen soms een vreemde wending nemen. Vandaag zal Vissering
net als hij in 1848 deed, een uitstapje maken naar IJmuiden. Het
IJmuiden, waarvan hij al droomde toen het nog niet bestond, en waarover
hij in het tijdschrift De Gids een opstel schreef. Nadenkend kijkt hij
voor zich uit. De tijd heeft hem ingehaald, in het gelijk gesteld:
IJmuiden bestáát. Evenals het Noordzeekanaal bestaat IJmuiden nu al 125
jaar en hij wil het zien.
"Hoe kan ik het best naar IJmuiden reizen, juffrouw?", vraagt hij aan de
montere serveerster. "IJmuiden? Vanaf hier gaat dat het beste met de
draagvleugelboot, meneer", antwoordt ze. "Die vertrekt hier elk half
uur, vanaf het IJ, pal achter het station."
"De draag-vleugel-boot..." Vissering spreekt het woord uit alsof hij het
zorgvuldig wil proeven. Draagvleugelboot, nee, daar heeft hij nog nooit
van gehoord.
Vissering wil een man van deze tijd zijn. Draagvleugelboot, mmm, pal
achter het station, welnu laten we gaan. Hij pakt z'n hoed en z'n
wandelstok met zilveren knop. Kwiek loopt hij het koffiehuis uit. Met
ontzag kijkt hij nog eens omhoog: wat is dat stationsgebouw toch
prachtig geworden! Ja, die Cuypers kon er wat van. Vissering had het nog
in de steigers zien staan, maar nu hij het helemaal voltooid ziet, is
hij vol bewondering.
Achter het station liggen veel moderne schepen, maar waar is nu die
draagvleugelboot? Als hij veilig de weg is overgestoken, waar stromen
automobielen overheen razen met een snelheid van soms wel vijftig
kilometer per uur, wijst een vriendelijke dame hem waar hij een kaartje
kan kopen. En daar ligt het gevaarte. Een gestroomlijnde autobus op het
water. De man uit het verleden stapt aan boord van het heden. Hij zoekt
een plekje bij het raam en nestelt zich in de comfortabele stoel.
Langzaam zet het schip zich in beweging. Het taxiet over het IJ en even
later is het alsof het een beetje omhoog gaat. Het schip maakt vaart en
met de snelheid van zo'n modern automobiel stuift Simon Vissering over
het brede kanaal. Verwonderd over wat hij onderweg allemaal ziet: hoge
hijskranen, reusachtige zeeschepen, overal havens.
Zijn IJmuiden! Ongelooflijk! Zijn droom werd werkelijkheid. Een zekere
opwinding maakt zich van hem meester. Een hele stad moet dat nu zijn,
met een reusachtig sluizencomplex, vertier langs de vissershavens en
cruiseschepen met speciale 'terminal'. Hij heeft gehoord van de
staalfabriek aan de noordkant van het kanaal, waar heel wat IJmuidenaren
hun brood verdienen. Zware industrie. Overdag grauwe schoorstenen, maar
bij nacht moet het een feeëriek verlichte aanblik bieden. Hij heeft
gelezen hoe IJmuiden is uitgedijd en nu vrijwel één geheel is met dat
kleine dorpje Velsen, dat hij zojuist passeert. Benieuwd is hij naar het
nieuwe grote stadhuis, dat gebouwd is door de architect Dudok. Hij heeft
gelezen dat het in 1965 feestelijk werd geopend door ene prinses
Margriet, een achterkleindochter van koning Willem III, die eertijds het
Noordzeekanaal inwijdde. Die Dudok schijnt niet de eerste de beste te
zijn geweest.
Nog geen half uur is er verstreken, of hij heeft alweer vaste grond
onder de voeten. Tussen een drom mensen wandelt hij het Pontplein op.
Het stadhuis? U gaat rechtsaf, de spoorbaan onderdoor en dan ziet u de
grote klokkentoren al in de verte.
Er schijnt een aangenaam herfstzonnetje en welgemoed gaat Vissering op
pad. Hier is het minder druk dan in Amsterdam, maar toch krioelt het
verkeer gehaast door elkaar. Even later staat hij op het Plein 1945, dat
met een sereen verzetsmonument herinnert aan de verschrikkingen van de
Tweede Wereldoorlog. Vissering leest de teksten op het gedenkteken met
eerbied. Dan kijkt hij op naar het stadhuis. Hij gaat op een bankje er
tegenover zitten. Heel wat anders dan de architectuur van Cuypers, maar
zeker ook een gebouw dat er voornaam uitziet. Hij begint te genieten van
de rustige ritmiek, opgeroepen door de vele ramen. Imposant, zoals een
deel van dat stralende gebouw op het plein naar voren uitsteekt, met een
groot balkon voor plechtige momenten. Het rust op gouden pilaren en hoog
in het midden prijkt het blauw met gouden wapen van de stad.
"Is dat nu het wapen van IJmuiden?'', vraagt hij aan een oude man die
naast hem is komen zitten. "Van IJmuiden? Ja, dat zou je zeggen, maar
het is het wapen van Velsen. Ze doen hier net of IJmuiden Velsen is,
maar het is eerder omgekeerd. IJmuiden is wel «gemeente Velsen', dus
eigenlijk heeft Velsen het ingepikt.''
Een beetje verwarrend vindt Vissering het wel. Hij kijkt opnieuw naar
het stadhuis, dat blinkt in de ochtendzon. Inmiddels wijst de klok op de
stadhuistoren tien uur aan en het carillon speelt een vrolijk wijsje.
Vissering constateert met een aangenaam gevoel dat die toren een
sierlijke toevoeging is aan dit gebouw, waar deze gemeente wel trots op
mag zijn. Straks wil hij het ook eens van binnen bekijken, want die
Dudok moet destijds ook de inrichting en het meubilair hebben ontworpen.
Het stadhuis lokt hem. Als hij voor de brede trap van het bordes staat,
kijkt hij glimlachend naar een paar kleuters die een gladde zwart
marmeren plaat als glijbaan gebruiken. De jeugd geeft z'n eigen
invulling aan Dudoks schepping, denkt Vissering.
Boven gekomen ontdekt hij dat de grote glazen deuren op slot zijn. Hoe
kan dat nou? Het is toch een doordeweekse dag? Door het glas heen ziet
hij een indrukwekkende witmarmeren ruimte. Dan ziet hij een bordje:
ingang Dudokplein. Hoewel het er toch veel van heeft, is dit blijkbaar
niet de entree tot het stadhuis.
Aan de zijkant van het gebouw kijkt Vissering naar de immens hoge
vensters, die wel tot aan het dak reiken. Dan loopt hij verder. In de
hoogte ziet hij een transparante verbindingsgang tussen het stadhuis en
een ander gebouw daarachter. Hij wandelt nog even terug, richting Plein
1945. Daar komt de man hem tegemoet die naast hem op het bankje zat.
"Als je naar binnen wil meneer, dan moet dat via de nieuwbouw", zegt
hij. Juist als hij zich wil omdraaien om het Dudokplein te gaan zoeken,
gaat er aan de zijkant van het stadhuis een deur open. Er komt iemand
uit. "U moet naar binnen?", vraagt de man die met een rijwiel naar
buiten komt. Vissering knikt. Zo staat hij even later met de oude man in
een kelderachtige ruimte. "Ik heb hier vroeger gewerkt", zegt Visserings
metgezel, "ik kan je hier alles laten zien."
"Plug", zegt de man. "Pardon?" vraagt Vissering. "Plug, zo heet ik",
zegt de man, "Willem Plug."
"Ah, ja. Vissering is de naam." Ze schudden elkaar de hand. "Vissering",
zegt de man die Plug heet, "Dat is in IJmuiden geen onbekende naam. Weet
je dat ene professor Vissering ooit de naam IJmuiden bedacht, nog
voordat er hier maar iets was? Hij heeft daar nog een stuk over
geschreven.'' "Inderdaad", zegt Vissering, "die Vissering, dat ben ik."
Even is het stil, daar onderin het stadhuis. Dan schiet Plug in een
onbedaarlijke lach. "Nee, meneer, daar trap ik niet in. Je mag dan
Vissering heten, maar verder maak je mij niks wijs." Dan is het alsof
hij de geklede jas en de hoge hoed van zijn metgezel voor het eerst echt
opmerkt. Langzaam zegt hij: "Nou heb ik je door, jij speelt een rol en
je bent verkleed. Nou, ik speel je spelletje wel mee hoor, zeg maar wat
je weten wil."
Vissering besluit het maar zo te laten. Samen gaan ze door een
witmarmeren trappenhuis naar boven. Van wit marmer is ook de hoge zaal,
waarvan Vissering buiten al de reusachtige ramen bewonderde. Ruim en
licht is het er. Ze wandelen er doorheen en gaan via een voorname trap
naar boven "Dit heet de Burgerzaal", zegt Plug, "daar worden meestal
recepties en zo gegeven. Kom mee, dan laat ik je de raadzaal zien. Die
is ook ingericht door Dudok." Een van de dubbele deuren van de raadzaal
staat open. Als ze er binnen gaan, staat Plug opeens stil. Hij kijkt
Vissering aan en zegt: "Het is veranderd. Ik ben hier een tijdje niet
geweest. Ik kan niet zeggen dat ik dit lelijk vind, maar het is niet wat
Dudok er van gemaakt heeft. Weet je trouwens waarom die raadzaal zo ver
naar voren is uitgebouwd...? Daarmee wilde Dudok het stadsbestuur een
belangrijke plaats geven. De vuist van het gezag, zo noemde hij dat."
Dan wandelen ze vanuit de raadzaal naar de gang waar de kamers van de
wethouders en de burgemeester op uitkomen. Daar is fraai houtwerk voor
gebruikt. "Let op, Vissering'', zegt Plug, "deze gang ligt een paar
treden hoger dan de andere drie op deze verdieping, ook alweer om aan te
geven dat het gezag een treetje hoger staat." Er staan een paar deuren
open en ook hier ontdekt Plug dat het Dudokmeubilair is vervangen.
"Stop", zegt hij opeens, terwijl hij weer een wethouderskamer inkijkt,
"hier staan nog Dudok-meubelen, kijk naar dat bureau, naar die tafel, zo
heeft die architect dat ontworpen, zo was het, toen ik hier nog werkte."
Ze lopen verder en kijken door de ramen omlaag naar de binnentuin. In
strenge vierkanten is die aangelegd, met aan één kant een ondiepe
vijver, waarvan de bodem uit blauw en goudkleurig mozaïek bestaat.
Door een achterdeur die automatisch openschuift, verlaten de twee het
stadhuis. "Als jij die Vissering bent", zegt Plug, terwijl hij wat
schalks naar de man kijkt die naast hem loopt, dan is er hier ook nog
een school naar je vernoemd. Kom maar mee." Ze wandelen de De Noostraat
door en slaan rechtsaf de Briniostraat in. Dan wijst Plug schuin de
straat over naar een groot gebouw waarvan de hoekingang sterk aan de
Amsterdamse School-architectuur doet denken: "Kijk eens, dat heette
vroeger, tot in 1984, de Prof. Mr. S. Vissering Scholengemeenschap. Maar
tegenwoordig is dat het Vellesan College. Dat de naam Vissering moest
verdwijnen, zit veel mensen niet lekker."
Vissering knikt nadenkend. Tja, het gaat hier om verdwenen eer, als hij
het goed begrijpt. Wat doe je eraan?
"Maar", zo gaat Plug verder, "meneer Vissering..." - en als hij die naam
uitspreekt klinkt er toch een lichte ironie in zijn stem - "meneer
Vissering, je bent nog niet helemaal vergeten in IJmuiden. Want nu gaan
we samen naar Oud-IJmuiden en daar hebben we nog steeds de
Visseringstraat."
Oud-IJmuiden! Het oudste gedeelte, waar het 125 jaar geleden allemaal
begon en waar Visserings opstel uit 1848 zich afspeelt! Ja, dat moet hij
beslist zien. En Willem Plug is geen moeite te veel. Hij loodst
Vissering door de lange Lange Nieuwstraat, ook een erfenis van Dudok.
Een klein uur later lopen ze in Oud-IJmuiden. Over de Koningin
Wilhelminakade gaat het, daarna de Oranjestraat door en linksaf de
Kanaalstraat in. Het valt Simon Vissering op dat het hier steeds
rommeliger wordt. En dan zijn ze bij de Visseringstraat. Plug staat er
een beetje bedremmeld bij. Hij wijst naar het naambordje en zegt zacht:
"Nou, dit is «m dan..." Ze kijken links en rechts in een versleten,
smalle straat. Het ziet er verlaten uit. Wordt hier nog wel gewoond?
Echt vrolijk oogt het niet. Vissering legt zijn hand op de schouder van
zijn gids. "Trek het je niet aan", zegt hij, "het is een oud straatje.
Misschien komt het ooit nog wel eens goed, want dit ziet er niet uit als
een blijvertje. Kom, laten we een glas wijn gaan drinken bij dat mooie
hotel Augusta, dat zal ons in een betere stemming brengen."
Maar eerst wandelen ze de Visseringstraat uit naar de sluizen. Vissering
bekijkt het allemaal met bewondering. Daar liggen ook de stoere
sleepboten van Wijsmuller. Terug gaat het dan naar de Keizer
Wilhelmstraat, waar het bejaardentehuis Breezicht staat. "Hier woon ik.
Op de tiende verdieping", wijst Plug. "Als je nou even met me mee naar
boven gaat, dan ziet je vanuit mijn kamer heel Oud-IJmuiden liggen en
nog veel meer."
Vissering loopt Plug maar achterna. Ze gaan een klein hokje in met
automatische deuren. Plug drukt op een knop en daar zoeft het hokje
omhoog. Vissering besluit dat hij zich nergens meer over verbaast.
Willem Plug zwaait niet zonder trots de deur van zijn ruime kamer open.
"Kom binnen, meneer Vissering en kijk eens uit dat raam."
Het panorama dat zich voor de ogen van Simon Vissering ontvouwt, brengt
hem geheel van zijn stuk. Hoe is het mogelijk! Ver beneden zich ligt
Oud-IJmuiden, een wirwar van straten en allerhande oude en nieuwe
gebouwen. De sluizen, de pieren waartussen schepen af en aan varen, de
zee in de verte. Aan het begin van de haven ligt een reusachtig wit
passagiersschip dat met een slurf is verbonden met een blinkend gebouw.
"Een cruise-schip dat naar Schotland vaart", zegt Plug.
De wijn wordt niet bij Augusta gedronken, want hier wil Vissering nog
niet weg. En Willem heeft ook wijn in huis. Plechtig heffen de twee het
glas. En dan zegt Vissering niet zonder ontroering: "God gaf er zijn
zegen op, en ziedaar de vrucht Y-muiden, de haven van Amsterdam aan de
Noordzee!" Willem staat paf en dan zegt hij: "Dat zijn de woorden uit
het opstel van de èchte Prof. Mr. Vissering..." Vissering glimlacht hem
vriendelijk toe: "Ik heb ze ook onthouden."
Simon Vissering neemt afscheid van Willem Plug. Hij heeft er behoefte
aan even alleen te zijn en dineert in alle rust in Hotel Augusta, waar
hij bij de vriendelijke eigenares ook een kamer heeft besproken.
Als hij de volgende ochtend opstaat besluit hij de draagvleugelboot van
elf uur te nemen. Hij wandelt de Oranjestraat door en loopt de
Kanaalstraat in. Als hij langs Breezicht komt, wil hij Willem Plug nog
een keer bedanken. "Is meneer Plug thuis ", vraagt hij bij de receptie.
"Plug, zegt u... ik ken geen meneer Plug", antwoordt de vrouw van de
receptie. "De heer Willem Plug", dringt Vissering aan. Ze schudt haar
hoofd, maar voor de zekerheid kijkt ze het nog even na. "Nee, een meneer
Plug, die woont hier niet."
|
| Ko van Leeuwen |
| zaterdag 15 december 2001 |
|