IJmuiden en strand in foto's

Welkom op de website van Coos Ernens!

Onze nieuwe URL= http://www.ijmuidenstrand.nl

   Bijgewerkt op 13-11-2011

 

Het geheim van IJmuiden (1)
Een ongeregeld zootje in de breesaap
Bron: IJmuidercourant
Tekening: Fiel van der Veen
 
IJmuiden, dat bestaat voor ons niet, wij hebben het hier alleen over Velsen. De uitspraak van de bibliothecaris van de openbare bibliotheek klinkt fijntjes. Zn toon is beslist niet onaangenaam, maar het is duidelijk dat tegenspraak hier geen zin heeft. Voor hem bestaat IJmuiden niet en officieel heeft IJmuiden zelfs nooit als zelfstandige gemeente bestaan.

 

Hoe kan het dan dat er wel blauwe officiele gemeenteborden zijn waarop IJmuiden staat? Hoe kan het dat men in het buitenland eerder van IJmuiden spreekt dan van Velsen? IJmuiden, Santpoort, goed dan, Driehuis ook goed, maar Velsen? Ja, IJmuiden is vooral bekend in internationale scheepvaartkringen. Om die reden lijkt deze werk- en woonstee ooit geboren. En toch, Velsen is de oudste van alle zeven dorpen waaruit deze gemeente bestaat. Velsen, het oude dorp waarnaar de hele gemeente nu is genoemd, ontstond al voor 1200. Een strooisel van huizen in de schaduw van de oude Engelmunduskerk, die nog steeds met trots aan de zuidzijde van het Noordzeekanaal torent. Een kerk die het kanaal zelfs geen blik waardig keurt. Waarom ook, dat hebberige kanaal, dat zoveel prachtigs van dat oude dorp heeft opgeslokt. En dat er met zn komst voor heeft gezorgd dat een van de fraaiste natuurgebieden, de Breesaap met zn rijk bezit aan planten, bloemen en vogels, tot slechts een schim werd van wat het ooit was.Van IJmuiden, nu 125 jaar jong, kun je zelfs zeggen dat het bij koninklijk besluit bestaat, want sprak koning Willem III in 1876, toen hij op 1 november officieel het Noordzeekanaal opende, niet de gedenkwaardige woorden: Ik doop u haven van IJmuiden.
 

Saillante citaten

Maar die bibliothecaris? Met al die IJmuidenaren, die altijd recht voor hun raap zeggen waar het op staat, hoort niemand mij zeggen dat die man gelijk heeft. Ik kijk wel uit. IJmuiden bestaat wel degelijk! Zon dertig jaar voor de opening van het kanaal werd de geboorte van IJmuiden al aangekondigd door een opmerkelijke profetie vanuit Amsterdam. De hoogleraar professor S. Vissering had een wonderlijke droom, waarvan hij nauwelijks kon vermoeden dat ze ooit werkelijkheid zou worden. Hij schreef daarover een opstel in De Gids. Het was het jaar 1848. Lezen we samen enkele saillante citaten uit Visserings toekomstschets Een uitstapje naar Y-muiden:
Wij moesten de gloeiende, benauwde stad maar ontvluchten, zei ik tot mijn Thuringse vriend, die voor een paar dagen bij mij was komen logeren om het grote Amsterdam te zien (...).
Hebt ge nog iets op de Beurs te doen of te zien?-niet? Zo laat ons een droschke (= koetsje) nemen, naar de Hollandsche Spoorweg rijden, naar Y-muiden stomen, daar dineren en de schone avond aan de oever der zee doorbrengen. Wij kunnen met de boot langs het kanaal terugkeren(...).
Wacht even, zei ik, toen wij de wachtkamer zouden intreden. 'Even naar het kantoortje van de telegraaf, ons eten bestellen. .

Badhuis

Hoe daar? Ik dacht, dat wij buiten zouden eten. Juist; maar hier bestellen wij het. Dat doet men gewoonlijk omdat het Badhuis in deze tijd na de beurs nogal veel onverwachte gasten krijgt. Ga maar even mee. En nu seinde ik door de telegrafist als volgt: Opgepast Y-muiden. Antwoord: Y-muiden alles in orde. Sein van onze kant: Badhuis, Diner 5 uren: twee personen: gekookte tong met pieterselie: biefstuk: aardappelen: groente: dessert. Zie zo , nu wordt, terwijl we stomen, ons diner gereed gemaakt en wij vinden bij onze aankomst de tafel gedekt(...)..

Sedert, nu een jaar of twaalf jaar geleden, het kanaal van het Y naar de Noordzee afgemaakt is, is Y-muiden Amsterdams zeehaven geworden. Alle schepen, die uit zee naar onze hoofdstad of naar Noord-Holland wilden, moesten vroeger of langs de ondiepe bochtige Zuiderzee een wijde omweg maken, of met grote kosten van tijd en geld zich tragelijk door het lange Noordhollandse kanaal laten slepen. Natuurlijk heeft de handel nu de weg gekozen, die korter en veiliger tegelijk is, de weg door het Y-kanaal, of laat ik zeggen de Y-stroom, want sedert zijn verbinding met de Noordzee, is het Y werkelijk een stroom geworden. Nu is Amsterdam met zijn zeehaven verbonden door een kanaal, een spoorweg en een telegraaf(...)..

Profeet van IJmuiden

En zo besloot dus de Handelmaatschappij, met haar reusachtige vermogen zich aan het hoofd te stellen der reusachtige onderneming, en tot de verbinding van het Y met de Noordzee, door een kanaal tussen Zandvoort en Velzen werd besloten (...). Eens begonnen, werd het werk met kracht doorgezet; God gaf er zijn zegen op, en ziedaar de vrucht: Y-muiden, de haven van Amsterdam aan de Noordzee! .

De profeet van IJmuiden, zo wordt Vissering later genoemd. Want op het moment dat hij over zijn uitstapje schreef was er nog geen spoor van IJmuiden. Het bestond niet. Er was nog slechts een kale vlakte, begrensd door ruig natuurgebied en duinen. Niets, helemaal niets was er nog van hetgeen waar Vissering van droomde. .

We schrijven 8 maart 1865. In De Breesaap, zon zeshonderd meter van het strand, staat de voltallige directie van de Amsterdamsche Kanaal Maatschappij klaar om de eerste spade de grond in te steken.

Hoogwaardigheidsbekleders zijn er niet. Een week daarvoor overleed koningin-moeder Anna Paulowna, de Russische moeder van de aanstaande koning Willem III; Nederland rouwt nog. En het gemeentebestuur van Velsen dan? Dat is niet eens uitgenodigd. Enkele dagen eerder informeerde burgemeester J.C. Enschede - telg uit het voorname Haarlemse geslacht - of het waar was dat binnenkort de eerste spade voor het kanaal de grond in zou gaan. Het antwoord moet hij nog krijgen.

Kanaalgravers

Het is twee uur in de middag en het onderonsje van de Kanaalmaatschappij is begonnen. Ook de kanaalgravers staan klaar. Simon Josephus Jitta, voorzitter van de A.K.M, houdt een lange redevoering. Tot slot zegt hij plechtig, en niet zonder ontroering: ,,En nu mijne heren, zullen wij overgaan tot het steken van de eerste spade in de grond tot doorgraving van Holland op zn smalst, tot het maken van het nieuwe kanaal." Dan nodigt hij directeur en mede-oprichter van de Maatschappij J. Boelen uit die eerste schop officieel in de grond te steken. Boelen jaagt zijn spade onder uitbundig gejuich de grond in. Wat hem betreft is het de eerste en de laatste keer dat hij dit gereedschap hanteert, want voor dit ruwe werk zijn Boelen en zijn collegas niet geschapen. Nee, het graven van het kanaal, dat begint alsof het erom gaat een tuintje om te spitten, wordt gedaan door het gewone voetvolk van polderjongens en slikwerkers. .

Onmiddellijk na de plechtige eerste schop geeft ingenieur Van Rijn het teken dat de arbeiders kunnen beginnen. Zon honderd man steekt de spade de grond in en zo begint het zware werk pas echt, dat wordt uitgevoerd onder leiding van drie Engelse en vier Nederlandse ingenieurs en opzichters.

Geronseld

Een ongeregeld zootje is het bij die gravers, zeker in het begin. Mannen die met de schop van de vroege ochtend af het spit- en graafwerk doen, weer of geen weer. Rauw volk dat van ver is gekomen. Zeker, ook uit Holland, maar veel mannen kwamen uit Brabant, Groningen en zelfs uit Duitsland en Belgie is er werkvolk geronseld. De meeste mannen zijn nog vrijgezel, maar later komen ook hele gezinnen naar de Breesaap. .

Aan de rand van de Heide zijn voor de vrijgezellen houten barakken neergezet, waar de mannen op hun britsen in kale ruimtes met zn allen hun zo broodnodige nachtrust vinden. De keetbaas en zn vrouw zijn verantwoordelijk voor de orde en ze maken met ijzeren hand de dienst uit. Slim zijn ze, want er is best nog wat te verdienen aan dat kanaalschoelje. Als de gravers, na zon elf, twaalf uur spitten thuiskomen, vloeit de drank er rijkelijk. Net zo rijkelijk als ze het kunnen betalen. En betalen kan later wel, dat wordt gegarandeerd op de betaaldag van hun loon ingehouden. .

Voor de vrijgezellen is dus zo goed en zo kwaad als het ging voor onderdak gezorgd. Maar voor de kanaalwerkers met gezinnen ligt het wel anders. Die moeten maar voor zichzelf zorgen. Zo ontstaan er overal in de Breesaap, op de Heide en in de duinen bij Velserduin hutten van samengeraapt hout en takkenbossen, afgedicht met leem en harde bagger. Sommigen graven gewoon een hol in de grond en dekken dat af met takkenbossen en leem. Welkom zijn ze, die mannen met hun vrouwen. Zeker bij al die vrijgezellen jongens, die nauwelijks vertier hebben. Lang duurt het niet, of de vrouwen en opgroeiende meiden die een beetje het aanzien waard zijn, maken hun opwachting rond de houten keten, om met de rokken omhoog bij die vrije polderjongens een armzalige grijpstuiver bij te verdienen. Zo ontstaat er een wilde tippelzone. En als ze het niet uit eigen beweging doen, dan worden die vrouwen er wel door hun eigen mannen, of de meisjes door hun ouders, op uitgestuurd. Nee, kieskeurig zijn ze niet, de mannen uit de slaapketen en er wordt stevig op los gevreeen, daar in de duinen tussen Velsen en de zee.

Verdeel- en heerstactiek

Bij hun werkgevers hebben die kanaalgravers heel wat minder in te brengen. De Engelse ingenieurs, die voor het grootse karwei zijn ingehuurd omdat er geen Nederlandse aannemers voor te vinden zouden zijn, bedienen zich van een soort verdeel- en heerstactiek. Een deel van de kanaalgravers is in vaste dienst, de rest wordt per dag ingehuurd. Van heinde en ver lopen ze voor dag en dauw vaak talloze kilometers naar de Breesaap, op goed geluk dat ze vandaag opnieuw worden ingehuurd. Vooral voor die dagloners is het zaak goeie vrienden te blijven met de opzichters. .

Al gauw loopt het mis. Vooral de dagloners morren. Hun loon is laag en per dag kunnen ze worden ontslagen. In mei 1865, al enkele maanden na het begin van het graafwerk, breekt er een staking onder de gravers uit. Ook een groot deel van de werkers in vaste dienst is ontevreden en staakt mee. Pieter Cornelisse, een van de belangrijkste opzichters, meent dit ongunstige tij wel even gemakkelijk te keren. Vastberaden spreekt hij de stakende kanaalgravers toe: ,,Het staken is jullie verboden, jullie dient weer aan het werk te gaan."

Hoongelach is het antwoord, geen schop gaat er nog de grond in. De heren van de Kanaal Maatschappij zijn wel gedoemd hen te woord staan. Het werk mag immers geen vertraging oplopen. Voor de spitters betekent het een overwinning. De directeuren kunnen niet anders dan toegeven en ze beloven de gravers dat ze niet meer per dag kunnen worden ontslagen.

Britse enclave

De Engelse aannemersfirma Henry Lee & Son heeft de algehele leiding van de kanaal- en sluiswerken. Hun Engelse ingenieurs en opzichters hebben domicilie gekozen in de fraaie villa Wijkeroog, aan de noordkant van wat het Noordzeekanaal moet worden. Al gauw ontstaat daar een soort Britse enclave. Met lede ogen kijken de gravers naar de prachtige winkel, waar de Engelsen en de hoger geplaatste werkers zoals metselaars en de werkers aan de pieren, hun levensmiddelen tegen uiterst lage prijs kunnen inslaan. En die hogere arbeiders verdienen ook nog een stuk meer! Ja, voor de gewone slikwerker blijft het hard ploeteren tegen een hongerloon. .

Ook verder blijft de kanaalgravers weinig bespaard. Een jaar later, in de zomer van 1866 slaat de pest toe: Aziatische cholera, die zich snel verspreidt onder het graversvolk. Het eerst onder de Brabanders. Om besmetting in te dammen worden hun hutten verbrand. Ook degenen bij wie de ziekte nog niet heeft toegeslagen, zien hun schamele onderkomens in vlammen opgaan. Maar de ziekte woekert voort. De bewoners van het dorp Velsen - zo'n vierduizend zielen groot - volgen de rampspoed met angst. Burgemeester Enschede sluit elk risico uit en hij verbiedt dit jaar de kermis. Het gemeentebestuur heeft gezorgd voor verpleegbarakken. Rieten keten, natuurlijk buiten het dorp, waar de zieken naar toe worden gedragen. Om de kosten te dekken organiseert het gemeentebestuur ook een huis-aan-huis collecte. 1866 wordt een waar rampjaar. Meer dan dertig kanaalgravers sterven aan de cholera.

Opstand

In september van dat jaar, als de pest-epidemie nog maar net voorbij is, komen de kanaalgravers opnieuw in opstand. De laagst betaalde werkers pikken hun armoe niet langer. En als de gehate opzichter Cornelisse op een maandag in september door zijn putbazen, een soort onderopzichters, laat meedelen dat de lonen verder omlaag gaan, is de maat vol. De polderjongens grijpen hun schoppen en puthaken en daarmee gewapend trekken ze naar Wijkeroog, naar de Engelsen, waar ook Cornelisse zijn kantoor heeft. Onderweg groeit het gezelschap snel aan: ook van de werkers aan de pieren lopen ze mee. Timmerlui, locomotiefbestuurders, de jongens die de karren duwen, allemaal sluiten ze zich aan, zelfs vrouwen en kinderen. Zo stevent een omvangrijk en dreigend gezelschap op Wijkeroog af. ,,Cornelisse, Cornelisse, Cornelisse" scandeert de tot een menigte aangegroeide groep arbeiders. .

Maar Cornelisse zit niet in meer in Wijkeroog. Wie er wel is, dat is de Engelse stalmeester John Marrs, die de ruim zeventig paarden verzorgt die de karren voor het zandvervoer trekken. Marrs is een hautaine kerel. Hij minacht het gewone werkvolk en de kanaalgravers zijn voor hem uitvaagsel. Marrs voelt zich blijkbaar niet op z'n gemak, want als hij de opgewonden menigte hoort aankomen laat hij ijlings de hekken van Wijkeroog sluiten. Van achter het hek roept Marrs de mensenmassa toe dat Cornelisse er niet is en hij gebaart ze dat ze moeten vertrekken. Maar zijn Engels is voor dovemans oren en met zijn gebaren hebben ze niets te maken. De menigte dringt verder op en de stalmeester krijgt de schrik te pakken. Hij rent naar binnen en verschanst zich met wat knechten en dienstpersoneel in de villa. Plotseling klinken er schoten. Marrs staat met een jachtgeweer bij een raam en schiet op de tierende massa. Razend reageert de joelende menigte, als de hagel en de kogels hun om de oren fluiten. Opeens is er een harde kreet vol afgrijzen: een van Marrs kogels heeft Leendert Jan Griekspoor geraakt, een jonge arbeider uit de Haarlemmermeer. Dodelijk getroffen lig hij in het gras en heel even is het doodstil. Dan schreeuwt de menigte uitzinnig om wraak. Ze willen Marrs en zijn kliek uitroken, ook al omdat ze er nog steeds van overtuigd zijn dat ook Cornelisse nog binnen is.

Wijkerkoog afgebrand

Ondertussen heeft de overheid lucht gekregen van de opstand. De Velsense veldwachter had de Haarlemse officier van Justitie, Del Court van Krimpen getelefoneerd. Begeleid door veldwachter en een groep dragonders met geweren, komt hij bij de menigte aan. Dan ziet hij hoe de mensen om het dode lichaam van de jonge kanaalarbeider staan en even weet hij niet wat hij moet doen. Dan roept hij dat het afgelopen moet zijn, dat de opstandige arbeiders moeten vertrekken, maar dat hij Marrs levend of dood in handen wil hebben. Voor de menigte is dat het sein om in te grijpen: ,,We roken hem uit!", roept een boom van een kerel en er worden takken en ander hout aangesleept. Tegen de villa wordt een ware brandstapel opgeworpen. Een vrouw steekt er de brand in en snel grijpt het vuur om zich heen. Del Court van Krimpen beseft dat het helemaal uit de hand loopt. Voor de arbeiders wordt het welhaast een vreugdevuur, als de knechten en meiden de villa door een achterdeur ontvluchten. Ze laten ze gaan. Het gaat immers niet om het lagere personeel, nee, nu is het hen in de eerste plaats om Marrs te doen, de Engelse moordenaar! De commandant van de rijksveldwachters dring het huis binnen om Marrs eruit te halen maar de Engelsman trakteert hem op een kaakschot. De opwinding groeit verder aan en zelfs de dragonders, eigenlijk opgeroepen om de opstand neer te slaan, dragen hout aan voor het vuur, dat vat begin te krijgen op het fraaie buiten. Tenslotte wordt Marrs letterlijk uitgerookt. Zwartgeblakerd strompelt hij naar buiten, z'n geweer in de handen. De kanaalarbeiders zijn door het dolle, ze grijpen hem onmiddellijk. Ze tuigen hem stevig af en het is aan de veldwachters te danken dat de gehate Engelsman het er nog levend afbrengt. Met vreselijke hoofdwonden wordt hij naar het gevangenishospitaal overgebracht. En Wijkeroog brandt voort. Tot de grond toe brandt het eens zo trotse landhuis af. .

Belangrijkste bronnen: Archiefdienst Van Kennemerland, Haarlem; Archief Haarlems Dagblad/IJmuider Courant; J. van Baarsel, 'Van Gat tot Stad' C van Es, 'Bles voor de kop'; S. Franke, 'Legenden langs de Noordzee'; Theun de Vries; Dick Schaap; Siebe Rolle, 'Eene plaats van grooten omvang'; H. Wortman en G.J. van de Broek; Departement van Waterstaat, 1909, 'Geschiedenis en Beschrijving van het Noordzeekanaal'.



 


 
Ko van Leeuwen
zaterdag 27 januari 2001