Hoe kan het dan dat er wel blauwe officiele gemeenteborden zijn waarop
IJmuiden staat? Hoe kan het dat men in het buitenland eerder van
IJmuiden spreekt dan van Velsen? IJmuiden, Santpoort, goed dan, Driehuis
ook goed, maar Velsen? Ja, IJmuiden is vooral bekend in internationale
scheepvaartkringen. Om die reden lijkt deze werk- en woonstee ooit
geboren. En toch, Velsen is de oudste van alle zeven dorpen waaruit deze
gemeente bestaat. Velsen, het oude dorp waarnaar de hele gemeente nu is
genoemd, ontstond al voor 1200. Een strooisel van huizen in de schaduw
van de oude Engelmunduskerk, die nog steeds met trots aan de zuidzijde
van het Noordzeekanaal torent. Een kerk die het kanaal zelfs geen blik
waardig keurt. Waarom ook, dat hebberige kanaal, dat zoveel prachtigs
van dat oude dorp heeft opgeslokt. En dat er met zn komst voor heeft
gezorgd dat een van de fraaiste natuurgebieden, de Breesaap met zn rijk
bezit aan planten, bloemen en vogels, tot slechts een schim werd van wat
het ooit was.Van IJmuiden, nu 125 jaar jong, kun je zelfs zeggen dat het
bij koninklijk besluit bestaat, want sprak koning Willem III in 1876,
toen hij op 1 november officieel het Noordzeekanaal opende, niet de
gedenkwaardige woorden: Ik doop u haven van IJmuiden.
Saillante citaten
Maar die bibliothecaris? Met al die IJmuidenaren, die altijd recht
voor hun raap zeggen waar het op staat, hoort niemand mij zeggen dat die
man gelijk heeft. Ik kijk wel uit. IJmuiden bestaat wel degelijk! Zon
dertig jaar voor de opening van het kanaal werd de geboorte van IJmuiden
al aangekondigd door een opmerkelijke profetie vanuit Amsterdam. De
hoogleraar professor S. Vissering had een wonderlijke droom, waarvan hij
nauwelijks kon vermoeden dat ze ooit werkelijkheid zou worden. Hij
schreef daarover een opstel in De Gids. Het was het jaar 1848. Lezen we
samen enkele saillante citaten uit Visserings toekomstschets Een
uitstapje naar Y-muiden:
Wij moesten de gloeiende, benauwde stad maar ontvluchten, zei ik tot
mijn Thuringse vriend, die voor een paar dagen bij mij was komen logeren
om het grote Amsterdam te zien (...).
Hebt ge nog iets op de Beurs te doen of te zien?-niet? Zo laat ons een
droschke (= koetsje) nemen, naar de Hollandsche Spoorweg rijden, naar
Y-muiden stomen, daar dineren en de schone avond aan de oever der zee
doorbrengen. Wij kunnen met de boot langs het kanaal terugkeren(...).
Wacht even, zei ik, toen wij de wachtkamer zouden intreden. 'Even naar
het kantoortje van de telegraaf, ons eten bestellen. .
Badhuis
Hoe daar? Ik dacht, dat wij buiten zouden eten. Juist; maar hier
bestellen wij het. Dat doet men gewoonlijk omdat het Badhuis in deze
tijd na de beurs nogal veel onverwachte gasten krijgt. Ga maar even mee.
En nu seinde ik door de telegrafist als volgt: Opgepast Y-muiden.
Antwoord: Y-muiden alles in orde. Sein van onze kant: Badhuis, Diner 5
uren: twee personen: gekookte tong met pieterselie: biefstuk:
aardappelen: groente: dessert. Zie zo , nu wordt, terwijl we stomen, ons
diner gereed gemaakt en wij vinden bij onze aankomst de tafel
gedekt(...)..
Sedert, nu een jaar of twaalf jaar geleden, het kanaal van het Y naar de
Noordzee afgemaakt is, is Y-muiden Amsterdams zeehaven geworden. Alle
schepen, die uit zee naar onze hoofdstad of naar Noord-Holland wilden,
moesten vroeger of langs de ondiepe bochtige Zuiderzee een wijde omweg
maken, of met grote kosten van tijd en geld zich tragelijk door het
lange Noordhollandse kanaal laten slepen. Natuurlijk heeft de handel nu
de weg gekozen, die korter en veiliger tegelijk is, de weg door het
Y-kanaal, of laat ik zeggen de Y-stroom, want sedert zijn verbinding met
de Noordzee, is het Y werkelijk een stroom geworden. Nu is Amsterdam met
zijn zeehaven verbonden door een kanaal, een spoorweg en een
telegraaf(...)..
Profeet van IJmuiden
En zo besloot dus de Handelmaatschappij, met haar reusachtige
vermogen zich aan het hoofd te stellen der reusachtige onderneming, en
tot de verbinding van het Y met de Noordzee, door een kanaal tussen
Zandvoort en Velzen werd besloten (...). Eens begonnen, werd het werk
met kracht doorgezet; God gaf er zijn zegen op, en ziedaar de vrucht:
Y-muiden, de haven van Amsterdam aan de Noordzee! .
De profeet van IJmuiden, zo wordt Vissering later genoemd. Want op het
moment dat hij over zijn uitstapje schreef was er nog geen spoor van
IJmuiden. Het bestond niet. Er was nog slechts een kale vlakte, begrensd
door ruig natuurgebied en duinen. Niets, helemaal niets was er nog van
hetgeen waar Vissering van droomde. .
We schrijven 8 maart 1865. In De Breesaap, zon zeshonderd meter van het
strand, staat de voltallige directie van de Amsterdamsche Kanaal
Maatschappij klaar om de eerste spade de grond in te steken.
Hoogwaardigheidsbekleders zijn er niet. Een week daarvoor overleed
koningin-moeder Anna Paulowna, de Russische moeder van de aanstaande
koning Willem III; Nederland rouwt nog. En het gemeentebestuur van
Velsen dan? Dat is niet eens uitgenodigd. Enkele dagen eerder
informeerde burgemeester J.C. Enschede - telg uit het voorname Haarlemse
geslacht - of het waar was dat binnenkort de eerste spade voor het
kanaal de grond in zou gaan. Het antwoord moet hij nog krijgen.
Kanaalgravers
Het is twee uur in de middag en het onderonsje van de
Kanaalmaatschappij is begonnen. Ook de kanaalgravers staan klaar. Simon
Josephus Jitta, voorzitter van de A.K.M, houdt een lange redevoering.
Tot slot zegt hij plechtig, en niet zonder ontroering: ,,En nu mijne
heren, zullen wij overgaan tot het steken van de eerste spade in de
grond tot doorgraving van Holland op zn smalst, tot het maken van het
nieuwe kanaal." Dan nodigt hij directeur en mede-oprichter van de
Maatschappij J. Boelen uit die eerste schop officieel in de grond te
steken. Boelen jaagt zijn spade onder uitbundig gejuich de grond in. Wat
hem betreft is het de eerste en de laatste keer dat hij dit gereedschap
hanteert, want voor dit ruwe werk zijn Boelen en zijn collegas niet
geschapen. Nee, het graven van het kanaal, dat begint alsof het erom
gaat een tuintje om te spitten, wordt gedaan door het gewone voetvolk
van polderjongens en slikwerkers. .
Onmiddellijk na de plechtige eerste schop geeft ingenieur Van Rijn het
teken dat de arbeiders kunnen beginnen. Zon honderd man steekt de spade
de grond in en zo begint het zware werk pas echt, dat wordt uitgevoerd
onder leiding van drie Engelse en vier Nederlandse ingenieurs en
opzichters.
Geronseld
Een ongeregeld zootje is het bij die gravers, zeker in het begin.
Mannen die met de schop van de vroege ochtend af het spit- en graafwerk
doen, weer of geen weer. Rauw volk dat van ver is gekomen. Zeker, ook
uit Holland, maar veel mannen kwamen uit Brabant, Groningen en zelfs uit
Duitsland en Belgie is er werkvolk geronseld. De meeste mannen zijn nog
vrijgezel, maar later komen ook hele gezinnen naar de Breesaap. .
Aan de rand van de Heide zijn voor de vrijgezellen houten barakken
neergezet, waar de mannen op hun britsen in kale ruimtes met zn allen
hun zo broodnodige nachtrust vinden. De keetbaas en zn vrouw zijn
verantwoordelijk voor de orde en ze maken met ijzeren hand de dienst
uit. Slim zijn ze, want er is best nog wat te verdienen aan dat
kanaalschoelje. Als de gravers, na zon elf, twaalf uur spitten
thuiskomen, vloeit de drank er rijkelijk. Net zo rijkelijk als ze het
kunnen betalen. En betalen kan later wel, dat wordt gegarandeerd op de
betaaldag van hun loon ingehouden. .
Voor de vrijgezellen is dus zo goed en zo kwaad als het ging voor
onderdak gezorgd. Maar voor de kanaalwerkers met gezinnen ligt het wel
anders. Die moeten maar voor zichzelf zorgen. Zo ontstaan er overal in
de Breesaap, op de Heide en in de duinen bij Velserduin hutten van
samengeraapt hout en takkenbossen, afgedicht met leem en harde bagger.
Sommigen graven gewoon een hol in de grond en dekken dat af met
takkenbossen en leem. Welkom zijn ze, die mannen met hun vrouwen. Zeker
bij al die vrijgezellen jongens, die nauwelijks vertier hebben. Lang
duurt het niet, of de vrouwen en opgroeiende meiden die een beetje het
aanzien waard zijn, maken hun opwachting rond de houten keten, om met de
rokken omhoog bij die vrije polderjongens een armzalige grijpstuiver bij
te verdienen. Zo ontstaat er een wilde tippelzone. En als ze het niet
uit eigen beweging doen, dan worden die vrouwen er wel door hun eigen
mannen, of de meisjes door hun ouders, op uitgestuurd. Nee, kieskeurig
zijn ze niet, de mannen uit de slaapketen en er wordt stevig op los
gevreeen, daar in de duinen tussen Velsen en de zee.
Verdeel- en heerstactiek
Bij hun werkgevers hebben die kanaalgravers heel wat minder in te
brengen. De Engelse ingenieurs, die voor het grootse karwei zijn
ingehuurd omdat er geen Nederlandse aannemers voor te vinden zouden
zijn, bedienen zich van een soort verdeel- en heerstactiek. Een deel van
de kanaalgravers is in vaste dienst, de rest wordt per dag ingehuurd.
Van heinde en ver lopen ze voor dag en dauw vaak talloze kilometers naar
de Breesaap, op goed geluk dat ze vandaag opnieuw worden ingehuurd.
Vooral voor die dagloners is het zaak goeie vrienden te blijven met de
opzichters. .
Al gauw loopt het mis. Vooral de dagloners morren. Hun loon is laag en
per dag kunnen ze worden ontslagen. In mei 1865, al enkele maanden na
het begin van het graafwerk, breekt er een staking onder de gravers uit.
Ook een groot deel van de werkers in vaste dienst is ontevreden en
staakt mee. Pieter Cornelisse, een van de belangrijkste opzichters,
meent dit ongunstige tij wel even gemakkelijk te keren. Vastberaden
spreekt hij de stakende kanaalgravers toe: ,,Het staken is jullie
verboden, jullie dient weer aan het werk te gaan."
Hoongelach is het antwoord, geen schop gaat er nog de grond in. De heren
van de Kanaal Maatschappij zijn wel gedoemd hen te woord staan. Het werk
mag immers geen vertraging oplopen. Voor de spitters betekent het een
overwinning. De directeuren kunnen niet anders dan toegeven en ze
beloven de gravers dat ze niet meer per dag kunnen worden ontslagen.
Britse enclave
De Engelse aannemersfirma Henry Lee & Son heeft de algehele leiding
van de kanaal- en sluiswerken. Hun Engelse ingenieurs en opzichters
hebben domicilie gekozen in de fraaie villa Wijkeroog, aan de noordkant
van wat het Noordzeekanaal moet worden. Al gauw ontstaat daar een soort
Britse enclave. Met lede ogen kijken de gravers naar de prachtige
winkel, waar de Engelsen en de hoger geplaatste werkers zoals metselaars
en de werkers aan de pieren, hun levensmiddelen tegen uiterst lage prijs
kunnen inslaan. En die hogere arbeiders verdienen ook nog een stuk meer!
Ja, voor de gewone slikwerker blijft het hard ploeteren tegen een
hongerloon. .
Ook verder blijft de kanaalgravers weinig bespaard. Een jaar later, in
de zomer van 1866 slaat de pest toe: Aziatische cholera, die zich snel
verspreidt onder het graversvolk. Het eerst onder de Brabanders. Om
besmetting in te dammen worden hun hutten verbrand. Ook degenen bij wie
de ziekte nog niet heeft toegeslagen, zien hun schamele onderkomens in
vlammen opgaan. Maar de ziekte woekert voort. De bewoners van het dorp
Velsen - zo'n vierduizend zielen groot - volgen de rampspoed met angst.
Burgemeester Enschede sluit elk risico uit en hij verbiedt dit jaar de
kermis. Het gemeentebestuur heeft gezorgd voor verpleegbarakken. Rieten
keten, natuurlijk buiten het dorp, waar de zieken naar toe worden
gedragen. Om de kosten te dekken organiseert het gemeentebestuur ook een
huis-aan-huis collecte. 1866 wordt een waar rampjaar. Meer dan dertig
kanaalgravers sterven aan de cholera.
Opstand
In september van dat jaar, als de pest-epidemie nog maar net voorbij
is, komen de kanaalgravers opnieuw in opstand. De laagst betaalde
werkers pikken hun armoe niet langer. En als de gehate opzichter
Cornelisse op een maandag in september door zijn putbazen, een soort
onderopzichters, laat meedelen dat de lonen verder omlaag gaan, is de
maat vol. De polderjongens grijpen hun schoppen en puthaken en daarmee
gewapend trekken ze naar Wijkeroog, naar de Engelsen, waar ook
Cornelisse zijn kantoor heeft. Onderweg groeit het gezelschap snel aan:
ook van de werkers aan de pieren lopen ze mee. Timmerlui,
locomotiefbestuurders, de jongens die de karren duwen, allemaal sluiten
ze zich aan, zelfs vrouwen en kinderen. Zo stevent een omvangrijk en
dreigend gezelschap op Wijkeroog af. ,,Cornelisse, Cornelisse,
Cornelisse" scandeert de tot een menigte aangegroeide groep arbeiders. .
Maar Cornelisse zit niet in meer in Wijkeroog. Wie er wel is, dat is de
Engelse stalmeester John Marrs, die de ruim zeventig paarden verzorgt
die de karren voor het zandvervoer trekken. Marrs is een hautaine kerel.
Hij minacht het gewone werkvolk en de kanaalgravers zijn voor hem
uitvaagsel. Marrs voelt zich blijkbaar niet op z'n gemak, want als hij
de opgewonden menigte hoort aankomen laat hij ijlings de hekken van
Wijkeroog sluiten. Van achter het hek roept Marrs de mensenmassa toe dat
Cornelisse er niet is en hij gebaart ze dat ze moeten vertrekken. Maar
zijn Engels is voor dovemans oren en met zijn gebaren hebben ze niets te
maken. De menigte dringt verder op en de stalmeester krijgt de schrik te
pakken. Hij rent naar binnen en verschanst zich met wat knechten en
dienstpersoneel in de villa. Plotseling klinken er schoten. Marrs staat
met een jachtgeweer bij een raam en schiet op de tierende massa. Razend
reageert de joelende menigte, als de hagel en de kogels hun om de oren
fluiten. Opeens is er een harde kreet vol afgrijzen: een van Marrs
kogels heeft Leendert Jan Griekspoor geraakt, een jonge arbeider uit de
Haarlemmermeer. Dodelijk getroffen lig hij in het gras en heel even is
het doodstil. Dan schreeuwt de menigte uitzinnig om wraak. Ze willen
Marrs en zijn kliek uitroken, ook al omdat ze er nog steeds van
overtuigd zijn dat ook Cornelisse nog binnen is.
Wijkerkoog afgebrand
Ondertussen heeft de overheid lucht gekregen van de opstand. De
Velsense veldwachter had de Haarlemse officier van Justitie, Del Court
van Krimpen getelefoneerd. Begeleid door veldwachter en een groep
dragonders met geweren, komt hij bij de menigte aan. Dan ziet hij hoe de
mensen om het dode lichaam van de jonge kanaalarbeider staan en even
weet hij niet wat hij moet doen. Dan roept hij dat het afgelopen moet
zijn, dat de opstandige arbeiders moeten vertrekken, maar dat hij Marrs
levend of dood in handen wil hebben. Voor de menigte is dat het sein om
in te grijpen: ,,We roken hem uit!", roept een boom van een kerel en er
worden takken en ander hout aangesleept. Tegen de villa wordt een ware
brandstapel opgeworpen. Een vrouw steekt er de brand in en snel grijpt
het vuur om zich heen. Del Court van Krimpen beseft dat het helemaal uit
de hand loopt. Voor de arbeiders wordt het welhaast een vreugdevuur, als
de knechten en meiden de villa door een achterdeur ontvluchten. Ze laten
ze gaan. Het gaat immers niet om het lagere personeel, nee, nu is het
hen in de eerste plaats om Marrs te doen, de Engelse moordenaar! De
commandant van de rijksveldwachters dring het huis binnen om Marrs eruit
te halen maar de Engelsman trakteert hem op een kaakschot. De opwinding
groeit verder aan en zelfs de dragonders, eigenlijk opgeroepen om de
opstand neer te slaan, dragen hout aan voor het vuur, dat vat begin te
krijgen op het fraaie buiten. Tenslotte wordt Marrs letterlijk
uitgerookt. Zwartgeblakerd strompelt hij naar buiten, z'n geweer in de
handen. De kanaalarbeiders zijn door het dolle, ze grijpen hem
onmiddellijk. Ze tuigen hem stevig af en het is aan de veldwachters te
danken dat de gehate Engelsman het er nog levend afbrengt. Met
vreselijke hoofdwonden wordt hij naar het gevangenishospitaal
overgebracht. En Wijkeroog brandt voort. Tot de grond toe brandt het
eens zo trotse landhuis af. .
Belangrijkste bronnen: Archiefdienst Van
Kennemerland, Haarlem; Archief Haarlems Dagblad/IJmuider Courant; J. van
Baarsel, 'Van Gat tot Stad' C van Es, 'Bles voor de kop'; S. Franke,
'Legenden langs de Noordzee'; Theun de Vries; Dick Schaap; Siebe Rolle,
'Eene plaats van grooten omvang'; H. Wortman en G.J. van de Broek;
Departement van Waterstaat, 1909, 'Geschiedenis en Beschrijving van het
Noordzeekanaal'.